Decentrale overheden trekken massaal aan de alarmbel: zonder structureel extra geld van het Rijk dreigen bruggen, viaducten en wegen de komende periode letterlijk op slot te gaan. De dringende waarschuwing van gemeenten en provincies legt een dieperliggend probleem bloot: de groeiende kloof tussen nationale budgettaire keuzes en lokale onderhoudsverplichtingen.
Jarenlang lag de prioriteit op de aanleg van nieuwe projecten en economische groei, waardoor het basisonderhoud structureel is ondergefinancierd. De Algemene Rekenkamer becijferde onlangs dat Rijkswaterstaat alleen al voor het hoofdwegennet ruim €20 miljard tekortkomt, met als pijnlijk gevolg dat achterstallig onderhoud nu een direct risico vormt voor onze veiligheid en bereikbaarheid. De realiteit van vandaag is dat een groot deel van de naoorlogse infrastructuur het einde van haar levensduur heeft bereikt. Normaal gesproken betalen gemeenten dit soort projecten uit de algemene pot van het Gemeentefonds. Omdat dit geld vrij besteedbaar is en dus vooraf niet specifiek is geoormerkt voor infrastructuur, concurreert elke euro voor asfalt rechtstreeks met budgetten voor jeugdzorg of cultuur. Nu de kosten voor vervanging en renovatie exponentieel stijgen én het ‘ravijnjaar’ 2028 om de hoek komt kijken waarin de rijksbijdragen voor gemeentes fors dalen, lopen lokale overheden vast in een onmogelijke spagaat: bezuinigen op het sociale domein, of belangrijke infrastructuur noodgedwongen laten verwaarlozen.
De politieke druk neemt toe nu achterstallig onderhoud ook onze nationale veiligheid raakt. Met het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRVD) zoekt het kabinet momenteel door heel het land naar ruimte voor nieuwe munitiedepots, oefenterreinen en kazernes, zoals de geplande megakazerne in Zeewolde. In de Tweede Kamer leven grote zorgen over de bereikbaarheid van deze nieuwe defensielocaties. Kamerleden vrezen dat haperende civiele wegen en zwakke bruggen de militaire mobiliteit ernstig gaan belemmeren, terwijl er voor de nieuwe ontsluitingswegen nog geen geld beschikbaar is. Staatssecretaris Boswijk (Defensie) houdt de boot vooralsnog af en noemt het een kwestie van ‘delen in schaarste’, waardoor het lijkt dat een concrete aanpak vooruitgeschoven wordt en het probleem voorlopig blijft liggen.
Investeren in onderhoud is politiek gezien zelden aantrekkelijk, omdat het onzichtbaar langetermijnwerk is, terwijl de dynamiek in het openbaar bestuur juist vraagt om snelle, tastbare resultaten. De constante druk om te scoren met direct zichtbare politieke wensen, zoals het verlagen van het eigen risico, zorgt er daardoor voor dat het broodnodige beheer van onze wegen en bruggen telkens naar de achtergrond verdwijnt.
Juist in de spanning tussen zichtbare politieke prioriteiten en onzichtbaar onderhoud ligt een klassieke opgave voor public affairs. Het vraagstuk van infrastructuuronderhoud vraagt niet alleen om extra middelen, maar vooral om een herpositionering van ‘kostenpost op de achtergrond’ naar randvoorwaarde voor veiligheid, bereikbaarheid en economische continuïteit. Voor decentrale overheden betekent dit dat zij hun signalen beter moeten bundelen, onderbouwen en agenderen richting het Rijk, zodat de urgentie niet versnipperd raakt per gemeente of provincie, maar als nationaal probleem wordt erkend.

