Publyon EU laat zien wat regio’s kunnen leren van Draghi: het Wennink-advies in Europees perspectief

Wat in Brussel begon als een wake-up call, krijgt nu ook in Den Haag navolging. De opdracht aan Wennink werd gepresenteerd als de Nederlandse vertaling van het Draghi-rapport uit 2024 over de toekomst van de Europese concurrentiekracht. Anderhalf jaar later is de stemming in Brussel echter minder optimistisch: iedereen weet wat er moet gebeuren, maar de implementatie verloopt moeizaam. Wat kan Nederland leren van de moeizame Europese weg?

Wat zien we in Brussel?

In Brussel strandden de meest gedurfde voorstellen van Draghi op de terughoudendheid van lidstaten om gezamenlijk te investeren. Ook deze maand kwamen Europese leiders opnieuw bijeen, waarbij Draghi zelf nog een duidelijke oproep deed tot uitvoering en politieke toewijding. Het antwoord van meerdere landen, waaronder Duitsland, bleef echter resoluut: nee, de lidstaten willen niet alles overhevelen naar het Europese niveau; de regie voor investeringen moet bij de lidstaten zelf blijven.

Intussen blijft de EU gevangen in een paradox. Er worden miljarden uitgetrokken voor strategische autonomie, terwijl bepaalde afhankelijkheden – zoals de import van Amerikaans LNG – juist zijn toegenomen. Die twee sporen ondermijnen elkaar en vertragen de transitie.

Ook de roep om minder regels leidde tot frictie. Deregulering die raakt aan maatschappelijke kaders stuit op juridische grenzen en verzet van NGO’s. In plaats van een heldere agenda met een concreet tijdspad, overheerst de onzekerheid.

Wat kan Nederland hiervan leren?

De Europese ervaring biedt een spiegel voor de het nieuwe kabinet. Een investeringspijplijn van 126 miljard Euro realiseer je niet met incidentele fondsen of vage beloftes. Om de valkuilen van Brussel te vermijden, moet Nederland drie concrete lessen toepassen.

  1. Zorg voor structurele financiering: De Europese ervaring leert dat politieke veto’s en begrotingsdiscipline elke visie kunnen gijzelen. Nederland moet direct inzetten op de voorgestelde Nationale Investeringsbank. Zonder dit instrument blijft de uitvoering kwetsbaar voor veranderingen in beleid of kabinet, zeker in een minderheidsconstructie.
  2. Kijk naar strategische waarde: Nederland moet niet proberen alles zelf te doen. Wij moeten posities innemen in de waardeketen waar anderen van ons afhankelijk zijn, zoals in de chipsector of geavanceerde chemie. Durf te breken met oude afhankelijkheden om ruimte te maken voor eigen kracht.
  3. Versnellen, niet dereguleren: Het gaat niet om minder regels, maar om snellere regels. Gebruik instrumenten als regulatory sandboxes en nationale regie op vergunningverlening. Voorspelbaarheid is voor een investeerder waardevoller dan het schrappen van een milieunorm die later voor de rechter sneuvelt.

Wat betekent dit voor lokale organisaties?

Voor bedrijven, decentrale overheden en regionale samenwerkingen is de boodschap helder: wacht niet op Den Haag of Brussel. Wie resultaten wil zien, moet verschuiven van het vragen om beleid naar het actief faciliteren van uitvoering en meedenken over concrete invulling.

Regio’s doen er goed aan hun narratief direct te koppelen aan Europese investeringsagenda’s, bijvoorbeeld tijdens de European Week of Regions and Cities. Draai daarbij ook aan de knoppen binnenshuis: zorg dat regionale infrastructuur, vergunningverlening en talentontwikkeling aansluiten op de Europese waardeketens van de toekomst.

De les van het Draghi-rapport is duidelijk: wie projecten niet tijdig positioneert binnen Europese programma’s, onvoldoende samenwerkt met andere regio’s of geen concrete, uitvoerbare proposities aanlevert, ziet investeringsstromen en besluitvorming elders landen. Invloed ontstaat niet bij het formuleren van ambities, maar bij de daadwerkelijke uitvoering.